al meer dan 7 jaar

één op één statistiek- en SPSS begeleiding

5000+ studenten

ondersteund bij (af)studeren

97,8%

slagingspercentage van onze studenten

Oefenvragen basis statistiek

1. Een onderzoeker bestudeert in hoeverre geluk bepaald wordt door de hoeveelheid genoten opleiding uitgedrukt in aantal jaren. In dit onderzoek is opleiding …
a. de onafhankelijke variabele.
b. de afhankelijke variabele.
c. een controle variabele.
d. een categoriale variabele.

2. Middels een steekproef wordt gekeken hoeveel groente Nederlanders per week eten. Het blijkt dat de vrouwen gemiddeld 400 gram en de mannen 300 gram groente binnen krijgen. In de steekproef zitten 8 vrouwen en 13 mannen. Het gemiddeld aantal gram groente dat per week in deze schoolklas wordt gegeten is gelijk aan …
a. 306
b. 338
c. 350
d. 379

3. Bij een rechts-scheve (“skewed to the right”) verdeling …
a. ligt het gemiddelde rechts van de mediaan.
b. ligt de mediaan rechts van het gemiddelde.
c. valt het gemiddelde samen met de mediaan.
d. valt het gemiddelde samen met de modus.

4. Voor de studenten bewegingswetenschappen aan een universiteit is bekeken hoeveel uur per week zij aan hun studie besteden (de variabele heeft een klokvormige verdeling / “bell-shaped distribution”). De volgende kenmerken van deze distributie zijn bekend: y= 30,1, sy = 3,7. Volgens de empirische regel (“empirical rule” kunnen we over de data zeggen dat …
a. 68% van de observaties ligt tussen 25,6 en 32,1 uur.
b. 95% van de observaties ligt tussen 22,7 en 37,5 uur.
c. 95% van de observaties ligt tussen 24,3 en 35,9 uur.
d. Alle of vrijwel alle observaties liggen tussen 23,1 en 36,4 uur.

5. We vermenigvuldigen alle scores van een intervalvariabele met 2. Deze bewerking…

a. zal het gemiddelde niet veranderen maar wel de standaard deviatie van de scores.
b. zal het gemiddelde veranderen maar niet de standaard deviatie van de scores.
c. zal zowel het gemiddelde als de standaard deviatie van de scores veranderen.
d. zal noch het gemiddelde, noch de standaard deviatie van de scores beïnvloeden.

6. Waarmee beschrijven we een normaal verdeling?
a. Met de mediaan en het hoogste en laagste kwartiel.
b. Met de variantie en het bereik.
c. Met het gemiddelde, de mediaan en de modus.
d. Met het gemiddelde en de standaarddeviatie.